Interview ds. Schormans Interview ds. Schormans
SERIE GELOOFSGESPREK - Peter Schormans
(Uit het februarinummer van “DE NIEUWE KOERS”.)

‘God is teder, en zal ons nooit overweldigen’


Tekst: Felix de Fijter  |  Beeld: Carel Schutte
“Onder aan de streep is dat de definitie van het mensenleven. Onvermogen. Hoe ver mensen ook komen,” zegt dominee Peter Schormans. “Uiteindelijk weet je: ik ben volstrekt afhankelijk van Gods ontferming.”
 
Peter Schormans (1948)
is emeritus predikant in de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Na een loopbaan in het onderwijs diende hij de gemeenten van Augustinusga, Geldermalsen, Woerden en Wijckel-Sloten. Van zijn hand verscheen Brieven aan Karamazov (2010). Hij is getrouwd met Corry; samen hebben ze drie kinderen en negen kleinkinderen.

Er zijn helaas geen koekjes neergezet, zegt de gastenzuster van Abdij Koningsoord. Die komt ze nog brengen. Ze heeft de refter alvast laten zien, waar straks het middagmaal wordt opgediend. En we weten nu ook de stilteruimte en de kerkzaal te zitten. Daar wordt om kwart over twaalf de sext opgedragen. “O, en als u mensen hoort lopen op de trap, dan zijn dat de iconenschilders. Die zitten hier boven.”
Het is de naamdag van de heilige Agnes, staat op de scheurkalender bij de zijingang van het trappistinnenklooster in Arnhem. Ze stierf in het jaar 304; ze werd maar dertien jaar. Agnes had het ene na het andere huwelijksaanzoek geweigerd; want ze was al verloofd, zei ze steevast. Verloofd met Jezus.
De mannen die haar niet krijgen konden, verkrachtten en doodden haar. Maar acht dagen later werd ze in levenden lijve gezien. Met een gouden kleed om haar schouders, en een verlovingsring om haar vinger. De Rooms-Katholieke Kerk vereert Agnes sindsdien als beschermheilige van onder meer slachtoffers van verkrachting.
Peter Schormans heeft me meegenomen naar de abdij. Want de predikant wil wel over zijn geloof vertellen, maar dat gaat eigenlijk niet zonder ook zuurstof te geven aan zijn rooms-katholieke jeugd, diep onder in Limburg. En ook diep in hemzelf. En in het klooster maak je daar nu eenmaal gemakkelijker contact mee. Daar helpen de zintuigen mee.
We zitten in de gesprekskamer van een bijgebouwtje dat de Silo heet. Het geeft uitzicht op de naastgelegen natuurbegraafplaats; een betrekkelijk kale grasvlakte, omgord door oude bomen. “Ik was een vreemd jongetje, hoor”, zegt hij. “Een deugniet, maar tegelijk heel ernstig en heel religieus. Als ik van school naar huis liep – een wandeling van twintig minuten – kwam ik halverwege langs de Michaëlkerk in Schaesberg. In 1956 gebouwd, inmiddels alweer gesloopt. Er waren van die heel grote, zware deuren. Ik kreeg ze maar amper opengeduwd.” Maar daarbinnen was de stilte, en daar kon hij niet aan voorbijlopen. Ook ’s winters niet. Dan kroop hij met handschoenen aan de banken in. “Ik was er vaak helemaal alleen, bij het flakkerende licht van de godslamp.” En Peter wist als katholiek jongetje maar al te goed wat dat lichtje te zeggen had. De kerk mag leeg zijn, maar Christus is aanwezig. Dat stond er ook te lezen, in grote letters op het groene altaarkleed geborduurd: De Meester is daar, en Hij roept u.
“Daar stond ik, als jongen van negen jaar, om zes uur ‘s ochtends tussen de vogeltjes in het bos. Eén met de Schepping”
De kapel in het bos
Toen hij geboren werd, op eerste pinksterdag 1948, had de kloosterzuster aan het kraambed iets soortgelijks voorvoeld. “Deze jongen”, zei ze tegen zijn moeder, “wordt óf dominee óf priester.”
Maar eerst liep hij in het voetspoor van vader, een drukbezet mijnwerker met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Als iemand ziek was en er een bedevaart gelopen moest worden, vroeg men vader Schormans, en Peter ging mee. “Voor dag en dauw de deur uit, en dan te voet naar Wittem, dertien kilometer verderop, waar Gerardus Majella wordt vereerd.” Drie uur lang lopen, de rozenkrans biddend. Vader voorop, zoon in zijn kielzog.
Ze kwamen door Simpelveld – Wees gegroet, Maria – toen er ineens een auto een veel te ruime bocht nam. “Idioot!”, schreeuwde vader, en dan weer verder: De Heer is met u, gij zijt de gezegende onder de vrouwen. “Haha, mooi hè? Dat kon daar. Zo ging dat.”
Om acht uur kwamen ze in Wittem aan. “De kaars ontsteken, de mis bijwonen en terug met de bus.” Het deed iets met hem. “Aanwezig zijn in een gebeuren dat niet onder woorden te brengen is.”
In mei, de Mariamaand, fietste hij als jongetje van een jaar of negen alleen naar de kapel in het bos, om in de vroege ochtend de eucharistie bij te wonen. “Er pasten niet veel mensen in, maar buiten stonden luidsprekers. Daar stond ik, tussen de vogeltjes, zo rond een uur of zes de mis bij te wonen in het bos. Mystieke ervaringen; daar was ik één met de schepping.”
Priester worden
Hij weet nog goed hoe de slager van op de hoek – die had een auto – hem naar het seminarie reed. Vader op de bijrijdersstoel, Peter achterin. Twaalf jaar was-ie. En hij wilde priester worden. “Ik stapte uit, en zie ze nog zo wegrijden, in die groene Ford Taunus. Ik moest me maar zien te redden.”
Hij zucht.
“Ik wil niet negatief spreken over het seminarie. Want er is heel veel goeds geweest. De kameraadschap, de leerkrachten die werkelijk om je gaven. Pater Winand van Nederlands. Of Pater Benno, leraar Duits. En daar op het seminarie ervoer ik de ontmoeting met God; de geborgenheid van er voor Hem te zijn. Bij het Lof in de kapel, bij de communie, waar ik de hostie ontving. Christus was in mij.”
De uitvaart van Pater Sybrand, de biologieleraar, zal hij nooit vergeten. “Hij was op 29-jarige leeftijd gestorven, en tachtig karmelieten, in bruine pij en witte koormantel, zongen bij zijn kist, die in het midden van het koor was neergezet. Requiem aeternam. Het was alsof de hemel en de aarde versmolten.”
Maar er was een onderstroom. Een kleine, nare onderstroom. Onlangs kwam hij via via een aantal oud-klasgenoten op het spoor. Na zestig jaar zag hij ze weer. “Eén van hen heeft alleen maar gehuild toen ik hem ontmoette; misbruikt tot en met. Het seminarie was een totaal eigen wereld, streng op zijn hoede voor vleselijke zonden, maar daardoor des te meer op seksualiteit gefixeerd. Als je op het schoolplein met je hand in je zak stond, werd je vermaand door de surveillant. Waren ze bang dat je met je klokkenspel zat te spelen.”
Op een dag is hij zelf door een pater op schoot getrokken. De deur ging op slot. “Dan zat-ie aan me. Kietelen. Heel onplezierig. Heel akelig. Ik stribbelde tegen, maar dat maakte hem boos. En het was wel je leraar, en ook nog eens je biechtvader. De eisen waren te hoog, denk ik. Het ideaal was te groot. Ook voor de paters. In die context wil ik het wel zien. Ook zij hebben hun leven in dienst van God willen zetten. Maar toen het eerste vuur was gedoofd, werden ze in de dagelijkse realiteit teruggefloten door hun eigen onmacht en beperkingen.
Naar de normen van Deetman ben ik misbruikt, al heb ik dat altijd ontkend.” Toch hebben de ervaringen op het seminarie veel dieper doorgewerkt dan hij lang gedacht heeft. Misschien wel vooral het machtsmisbruik. De conrector speelde ermee.
“Dan liep hij tijdens de maaltijd op me toe, boog zich voorover en fluisterde in mijn oor: wat ik nou weer over jou heb gehoord… En dan liep hij weg, zonder verder nog iets te zeggen. Je schrok je dood, maar het was alleen om te sarren, mij onzeker te maken.
De rector op zijn beurt had een mantra: eens per jaar gaf hij iemand een klap. Willekeurig. Die dreiging was er altijd. Op een dag schuifelden we naar de studiezaal, de gang liep langs zijn kamer. Hij komt naar buiten lopen, en een wat sullige jongen die pal voor mij liep, slaat hij met vlakke hand zo in z’n gezicht. Out of the blue. En ik voelde de haat.”
Toen Peter thuiskwam, op zestienjarige leeftijd, heeft zijn moeder veel gehuild. Want Peter werd geen priester. “Ik had het niet gered. Mijn keuze, maar hun eer – een schande voor de buurt.” Een nieuwe poging om er iets van te maken liep op niets uit. Hij trok als parochie-assistent voor de jeugd naar Oostenrijk, maar de man bij wie hij inwoonde, kleineerde en vernederde hem. En voor Peter was de maat vol. Hij kon het niet meer dragen. “Als dit het evangelie is, als dit de eisen zijn, als dit de navolging van Christus is, dan red ik het niet. Het is te hoog, en te zwaar. Laat alles maar los.”
“Het leven kan als een mes door mijn ziel snijden, maar ik kan er toch heel blijmoedig in rondwandelen”
Onwaardig
Getrouwe Vader, zie ons aan / wees, Zoon van God, met ons begaan / vertroost ons, Geest, in deze tijd / Gij die regeert in eeuwigheid. Het middaggebed is begonnen in de kerkzaal. De elf zusters dragen een wit-zwart habijt, twee novices in burgerkleding hebben zich bij hen gevoegd in de koorbanken. Het interieur is licht en sober; het houten meubilair in rechte lijnen opgetrokken. Aan het witgepleisterde plafond schijnen heldere spotjes. Het altaar staat midden op een eivormige marmeren vloer, in een donkere nis branden kaarsjes. Met gebrandschilderde letters staat in het glas in lood geschreven Via veritas et vita. De weg, de waarheid en het leven.
Dat het geloof zou terugkeren bij Peter Schormans had hij zelf niet voorzien. Hij was in Groningen gaan studeren, en sloot zich veelzeggend aan bij een dispuut waarin de God is dood-theologie werd behandeld. Dat vatte zijn voorlopige slotsom goed samen, maar veel bevrijding ervoer hij niet. Op een druilerige, waterkoude dinsdagmiddag stond hij met zijn ziel onder zijn arm op het hoofdstation. Hij had uitbundig carnaval gevierd, nu greep de leegte hem aan.
Ondertussen vroeg hij zich af of hij de dispuutavond zou overslaan. Willem Glashouwer zou een inleiding verzorgen en hij wist niet of hij dat mee kon maken. “Als Willem sprak, ging bij mij het licht uit.” Maar hij ging toch. En Glashouwer wond er geen doekjes om. ‘Het is vóór Jezus, of het is tegen Hem.’ Tegen!, wilde Peter al roepen, maar dat slikte hij in. Want zo was het toch niet. Die kerk, die kon hij niet meer verdragen, maar op Jezus kon hij welbeschouwd niets tegen hebben.
Glashouwer leende hem een boek: The Normal Christian Life van Watchman Nee. “Ik ben erin begonnen, en dat veranderde alles. Ik kon bijna niet stoppen met lezen; om half vijf ’s ochtends stond ik op om erin verder te gaan. Ik las het, en toen wist ik het. Het volbrachte werk van Christus draait alles om; zijn bloed reinigt van alle zonden. Niet meer tillen, maar gedragen worden. De vreugde van het geloof, die ik als kind ervaren had, kwam bij me terug.” Ja, natuurlijk, het offer van Christus, dat kende hij uit de rooms-katholieke traditie ook wel, “maar daar werd het nooit doorgetrokken tot in het hele leven. Steeds weer moest je zelf aan de bak. Nu wist ik: ik mag leven met God, die zich als een regenboog over mij heen welft, en mij opneemt in zijn genadige ontferming.”
Zingen vanuit de diepte
Die ontferming Gods is heel wezenlijk voor hem geworden. “Je bent ongeschikt”, zei de rector hem bij zijn vertrek van het seminarie. “Ongeschikt voor het priesterschap, en ook voor het huwelijk.” En ook nu hij 77 jaar oud is geworden, fluisteren binnen in hem nog elke dag stemmen dat hij niets waard is. “Er zit een neerwaartse druk in mij, een grote onzekerheid. Ik noem dat de breuk in mijn bestaan, van kindsbeen af. En in die gebrokenheid moet ik leven.”
Na een loopbaan van zeventien jaar in het onderwijs, werd hij nochtans predikant. De Meester is daar, en Hij roept u. Maar “‘mijn God,’ heb ik vaak gedacht, ‘waarom roept U mij toch? Als U mij niet het instrumentarium geeft om het te kunnen?’ En dan kom ik mezelf tegen in het evangelie, en in de brieven van Paulus, in zijn spirituele passages. Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; en ik heb een welbehagen in zwakheden (…) want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Dat is leven op de grens van kunnen en niet kunnen; van sterven en opstaan.”
En het is nu eenmaal die grens, zegt Peter Schormans, waar God zich laat vinden. Waar Hij schept uit het niets. Creatio ex nihilo. Als predikant is hij daar vaak genoeg mee geconfronteerd; bij mensen aan de onderkant die stukliepen op hun eigen beperkingen. En het onvermogen van de andere mensen om hiermee om te gaan. Bijvoorbeeld die keer dat hij iemand bezocht in de gevangenis die in de fout was gegaan met een tiener. “Ik werd behandeld als een stuk vuil; ze wisten niet dat ik predikant was. Hoor jij daarbij?
Waar blijf je dan met je schuld, hè? En wat steekt het evangelie daar dan scherp tegen af. Als je werkelijk kunt geloven dat je schuld is weggenomen, gedragen door een ander. Dat Christus zo liefheeft, dat Hij die schuld is binnengegaan. De situatie van jou, zegt Hij, die treed Ik binnen. Daar ben Ik als jij.”
“Ik houd van mensen die onderaan zitten”, vervolgt hij. “Omdat je daar het mens-zijn in zijn gebrokenheid, maar ook in zijn schoonheid ziet. Het lijden vormt mensen toch zo dat er iets openbreekt. En uit de breuken van het leven klinkt de roep om ontferming. ‘O God, we zijn toch allemaal van Jou afhankelijk’. Waar het kapot is gegaan, werkt God ook. ‘Het loopt Mij niet uit de hand, Ik geef het niet op. Ik ben je God.’
En daar zie ik dan een glimlach bij. Neem nu een vrouw uit onze omgeving. Jaren geleden als kind van zeventien uit huis gezet. Haar ouders scheidden en haar vader verkoos zijn nieuwe vriendin boven zijn dochter. Ze kwam helemaal alleen te staan, en raakte aan de drugs. Maar op een wonderlijke manier is ze onlangs helemaal tot geloof gekomen. Niet te geloven. Ze heeft een bijbel gekocht, ze leest erin en ze verstaat het.”
Als je op de ontferming van God kunt hopen, zegt hij, dan kun je Psalmen zingen in de nacht. Hoe donker het ook wordt. Dat is wat zijn geliefde schrijver Dostojevski ook zo vaak aanraakt, in zijn verkenning van het menselijk hart, als slagveld van God en duivel. Daar ontdek je het vreemde werk van God, zegt hij. “Over Dmitri, in De gebroeders Karamazov, lees je hoe hij vastloopt. Hij heeft er een vreselijke puinhoop van gemaakt; hij is een mens die met beide benen omhoog de afgrond in kan duiken, zegt Dostojevski. Maar ook: jij hebt genade gevonden; meer dan een ander met een onberispelijk leven ooit verdienen kan. En als hij tot dwangarbeid wordt veroordeeld, in Siberië, zegt Dmitri: Als ze God van de aarde verjagen, dan zullen wij Hem onder de grond ontmoeten. (…) En dan heffen wij, de ondergrondse mensen, vanuit de ingewanden der aarde een tragische lofzang aan op God die de vreugde heeft! Dat vind ik zo prachtig. Hier spreekt de hoop; de mens die alles verbruid heeft, maar God de lof zingt vanuit de diepte.”
“Het is een mysterie, maar Hij bemoedigt me. Hij omvangt me. Je sombert, je werkt, je zondigt. Maar dat is het eigenlijke niet meer. Ons leven is met Christus verborgen in God”
Onvermogen
Toen Peter Schormans predikant werd, schreef zijn vader hem een brief: Ik zou willen dat je nooit geboren was. “Daar heb ik het heel moeilijk mee gehad, rondom mijn veertigste. En naar mij toe is hij er ook nooit meer op teruggekomen. Wel bij Corry, mijn vrouw. Zij heeft hem geconfronteerd. Elke dag had hij er spijt van gehad, vertelde hij haar, en drie weken voor zijn dood vertelde hij haar dat hij er vrede mee had dat ik predikant geworden was. Maar tegenover mij zweeg hij. Wonderlijk hè? Hard, hoor. Het was onvermogen; dat ook, want het was echt een goede man en ik ben blij dat ik hem heb mogen begraven…
Onder aan de streep is dat de definitie van het mensenleven. Onvermogen. Hoever je ook komt, je moet roeien met de riemen die je hebt, met wat je ontvangen hebt. En uiteindelijk weet je: ik ben volstrekt afhankelijk van zijn ontferming.”
Als je dat ontdekt, merkt hij, “kun je ontvangend leven. Vaak word ik ’s nachts wakker en dan weet ik dat Hij het is die mij wekt. Dan bid ik een psalm. En ’s ochtends, als de nieuwe dag aanbreekt, weet ik dat Hij me gedragen heeft door de nacht. Hij is de grond waarop ik sta, van wie ik alles vandaag ontvang. Ik hoef niet, maar ik ontvang.
Levende offerande
Ik vind het soms ook heerlijk om stil te vallen in een kerkdienst, en te luisteren naar wat men zingt. ‘Meezingen!’, zegt m’n vrouw dan. ‘Want ze kijken naar je.’ Maar als ik luister, voel ik mij gedragen, opgenomen in het grote geheel dat mijzelf overstijgt. Broeders en zusters, denk ik dan, bid voor mij. Breng ook mij voor het aangezicht van de Heer. Dat ontroert mij. En ik denk: Heer, ik mag deel uitmaken van uw gemeente, dus hoor ik ook bij U.”
En ook al kan het leven als een mes door je ziel snijden, “ik kan er toch heel blijmoedig in rondwandelen. Want ook mijn zwakheden behoren tot Gods werk, Hij maakt er iets van. Heel persoonlijk, – ik zal dat nooit voor een ander zeggen – geloof ik dat Hij mij die zwakheden gegeven heeft; net als de lichamelijke tobberijen waarmee ik te dealen heb. Ook dat klinkt mee tot lof van zijn naam. Paulus zegt: we zijn een levende offerande. We bidden tot Hem, maar we zijn vooral een gebed, dat voor Gods aangezicht verschijnt, waar wij geheiligd worden, en opgenomen in een verband dat ik niet zie, en dat ik niet kan kennen. Het is een geheim, een mysterie, maar Hij bemoedigt me. Hij omvangt me. Je sombert, je doet je werk, je zondigt, en tegelijkertijd is dat het eigenlijke niet meer. Ons leven is met Christus verborgen in God.”
Dat is gegroeid hoor, zegt hij. “Door crises heen. Ik heb een burn-out gehad. Het was alsof ik met een grote klap tegen een glazen deur opliep. In die tijd kon ik me moeiteloos identificeren met Klaagliederen 3. Zelfs als ik schreeuw en om hulp roep, versmaadt Hij mijn gebed. Hij heeft mijn weg versperd met steenblokken, mijn paden onbegaanbaar gemaakt. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen schuilhoeken. Hij laat mij geen uitweg, en verscheurt mij. Soms lijkt het alsof je volledig afgebroken wordt, dat je stukgaat. En dat er geen hulp is. Dan blijft er niets over dan ook daar maar ‘ja’ tegen te zeggen. Dat is het geheim: ja zeggen. En op zeker moment staat Hij weer voor het raam, zoals het Hooglied zegt. Hij roept me, sta op, kom met me mee!
God is teder, en zal ons nooit overweldigen. Er is altijd een keuze om Hem te zien in wat er gebeurt. Hij dwingt je niet, Hij maakt zich niet groot, Hij verheft zich niet. Hij is heel stil aanwezig, in al ons doen en laten. Hij zegt niet: kijk nu eens wat Ik voor je ga doen! Nee, zo niet. Maar als een wonder, waarvan je zegt: kijk eens wat er nou gebeurt!”
 
terug